HOVO BALKAN COLLEGES 2

 
HOVO BALKAN COLLEGES

 

3 en 10 november 2008

Arie Oostlander

 

 

Politieke betrokkenheid

 

Als er ooit een groot verschil is tussen de academische en de politieke omgang met de geschiedenis dan is het wel in het geval van de Balkan. Je historici op de Balkan zijn sterk ideologisch gemotiveerd. Zij menen aan analyses van collega’s te kunnen zien ‘aan welke kant ze staan’. En dat is soms ook zo. Dat bepaalt dan of je er welkom bent (Turkije). De universitaire geschiedschrijving hoeft zich geen rekenschap te geven van de effecten van haar analyses. De politicus moet zich ervan bewust zijn dat zijn analyse de werkelijkheid zelf kan veranderen. Het lijkt wel alsof de oude feiten vast liggen en dat de wetenschapper daar geen invloed op kan hebben zoals in een deel van de exacte wetenschappen het geval is, maar in de politiek ben je je bewust dat alles wat je beweert over de geschiedenis, daar een eigen dynamiek aan geeft. En daar ben je dan verantwoordelijk voor. Het is dus nodig om te vertellen waar je de gepresenteerde kennis aan ontleend en wat je eigen betrokkenheid of verantwoordelijkheid daarbij is.

Welnu. Ik was als lid van het Europees Parlement in de periode van juni 1989 tot juni 2004 in verschillende rollen betrokken bij de Balkan. Eerst als rapporteur (parlements woordvoerder) voor de betrekkingen met ex-Joegoslavië; daarna als rapporteur voor de strategie van de Uitbreiding met een bijzonder oog voor de zwakke broeders Bulgarije en Roemenië; en tenslotte als rapporteur voor de EU-candidatuur van Turkije. (in een zijdelings verband staat mijn rapport over de Uitdagingen van de Islam in de Unie.) De voornaamste bronnen waren de reizen en gesprekken met relevante persoonlijkheden in de landen waar conflicten en dreigingen bestaan; politiek belangrijke documenten en algemeen toegankelijke literatuur.

 

 

Actualiteit van de Balkan als kluwen van belangen en angsten.

 

 

De Balkan is een fascinerend deel van Europa, vooral vanwege zijn rol in de geschiedenis van filosofie en theologie. Tevens is het een politiek onrustig deel van Europa, zozeer zelfs dat het de rest van Europa op zijn fundamenten heeft doen trillen. Er is ruim voldoende reden om te kijken wat er op de Balkan plaats vindt. Er is immers steeds een sterke wisselwerking geweest met andere delen van Europa. Frankrijk, Italië, het VK, Rusland, Duitsland en vooral ook Oostenrijk-Hongarije bemoeiden zich regelmatig vanuit hun eigen belang met wat er op de Balkan gebeurde. De gevaren kwamen dus niet primair van de Balkan. Zeker zoveel hadden de Balkan staten van de andere Europese machten (ieder met hun eigen imperialisme) te vrezen. Zeer groot was uiteraard de invloed van het Ottomaanse rijk, dat een tijd lang voor de helft uit Europese gebieden bestond.

(De Zwarte Zee was toen een Osmaanse/Turkse binnenzee!)

 (KAART 1)

Dat speelt zelfs vandaag nog een rol. Bernard Lewis zij me eens: Turkije is een Europees land want ooit werd het Ottomaanse rijk ‘de zieke man van Europa’ genoemd. Een moeilijk houdbare redenering voor de huidige relatie tussen Turkije en de EU, omdat het nu maar een puntje Balkan met Istanbul betreft. Maar toen de betiteling werd uitgevonden was ‘Turkije’ inderdaad onmiskenbaar ook Europees en zelfs de grootste en machtigste Balkan staat.

De geschiedenis van dat gebied is nogal verwarrend en chaotisch. Er was altijd wat te doen en doorgaans werd er slecht bestuurd. Er waren lange tijden waarin de streek door vaak omvangrijke bendes (100 á 300 leden) onveilig gemaakt werd. In tijden van oorlog verhuurden die bendes zich aan de meest biedende. De godsdienst speelde ook een belangrijke rol, maar de Balkan leent zich niet voor versimpeling. Wat je wel kunt zeggen is dat Europa, de EU, nu alle belang heeft bij een redelijk rechtvaardige rust op de Balkan, opdat plaatselijke conflicten geen uitstraling hebben naar andere delen van Europa.

Voor mij spelen de oorlogen binnen ex-Joegoslavië daarbij een centrale rol. In het tweede dagdeel van deze cursus concentreren we ons op die gebeurtenissen en in het bijzonder op de filosofie of de manier van denken die daar achter steekt. Fout denken kan vreselijke gevolgen hebben daar en in de kringen van EU en VN politici.

Aan de hand van kaarten kan een indruk worden verkregen van de verwikkelingen die op de Balkan plaats vonden.

Oudste bewoners.

De oudste bewoners waren de Grieken en de Illyriers (de voorouders van de Albanezen).De Illyriers kwamen 2000 voor Chr. vanuit het Donau bekken naar de Adriatische kust. Dit is gestaafd door archeologisch onderzoek in Servië. De Albanezen zijn door de, vanuit de streken rond de Dnjepr oprukkende, Slavische stammen grotendeels verdreven of geassimileerd. Ze rukten op tot Constantinopel (626). In de decennia die volgden werden ze gekerstend. Later zullen we zien dat dit stukje geschiedschrijving meteen een politieke lading heeft. Geschiedschrijving is voluit politiek op de Balkan.

 

De grote Europese scheiding.

De Balkan is voor West-Europeanen vreemd gebied. Het begon al met de deling van het Romeinse rijk door keizer Theodocius (395). De ene zoon kreeg het West-Romeinse rijk, de andere het Oost-Romeinse. 660 jaar later kwam het Oost-Westelijk schisma waarbij de Paus van Rome de Patriarch van Constantinopel excommuniceerde.

KAART 2

Het Oostelijk deel van de kerk bleef beperkt tot het grootste deel van de Balkan (later deel van het Ottomaanse rijk) en Rusland. Voorzover het Oostelijk deel in Klein-Azie lag werd het vervangen door de Islam. Het Westelijke deel heeft altijd een meer wereldomvattende ambitie gehad. Dat deel verkeerde in een religieus/cultureel dominante positie en had dus alle kans om ambitieus te zijn. De geschiedenis van het Oostelijk christendom is er hoofdzakelijk een van onderdrukt worden of nauwelijks zich kunnen handhaven.

 

Constantinopel en het Ottomaanse rijk

Het valt op dat de geschiedenis van de Balkan geen simpele duurzame tegenstellingen kent. Het is te simpel om te zeggen dat daar de strijd tussen Islam en christendom gestreden werd. De christelijke Kruisvaarders plunderden in 1204 Byzantium, niet bepaald een staaltje van oecumenische gezindheid. Katholieken en Orthodoxen beschouwden elkaar niet zozeer als broeders en zusters maar als rivaliserende politiek-culturele machtsblokken (wat je nu ook voelt als je de geestelijke leiders bezoekt). De patriarch zocht soms steun bij de moslem leiders. Christelijke vorsten deden (al of niet verplicht) mee aan de belegering van Wenen. Christelijke autoriteiten noch islamitische waren erg kieskeurig in de samenstelling van hun legers. Serven pleegden onderling verraad, ook tijdens de later zo gevierde maar van de Turken verloren slag bij Kosovo (1389). Voor wetenschappelijke historici zijn heel wat mythen te ontmaskeren. Aan dat soort pijnlijke analyses is men nog niet toe.

Eeuwenlang hebben de Balkan en aanpalende Donau staten onder Turkse heerschappij verkeerd. Hoewel toen al hele streken op de Balkan door de Osmaanse troepen bezet waren wordt het begin van die overheersing gedateerd op de inname van Constantinopel in 1453.

KAART 3

 

 

Voor de Orthodoxie was dat een vastlegging van het feit dat men de slag met de Islam verloren had. De verhoudingen waren toen misschien niet zo helder, maar toch…Het Osmaanse rijk was niet fanatiek uit op bekeringen, hoewel daar wel voordelen aan verbonden waren. Je was dan niet meer een tweederangs burger. Christenen en joden konden volgens eigen wetten leven zover die niet in strijd kwamen met de wetten van het rijk. Hun kerken en synagogen mochten echter niet hoger zijn dan de minaretten van de moskeen. Zij moesten bovendien extra belastingen betalen en soldaten leveren voor de sultan. De vermenging van burgerlijke en kerkelijke autoriteit in het Millet stelsel bracht in die dagen een zekere tolerantie met zich mee voor andere religies. Het systeem was niet zachtzinnig en bovendien corrupt. Veel christenen kozen vanwege politieke en financiële redenen - en om te ontsnappen aan het tweederangs burgerschap - voor de Islam. In Bosnië was bekering tot de Islam voor de hand liggend. Een groot deel van de bevolking hing daar het Bohumillen geloof aan, dat te vergelijken is met de Katharen in de Auvergne. Door deze ketterse positie werden zij zowel door de orthodoxen als de katholieken vervolgd. Een keuze voor de Islamitische winnaar, die bovendien net als zij strikt monotheïst was, is dan makkelijk gemaakt. Overal in de Ottomaanse bureaucratie kon je kundige al of niet bekeerde christenen en joden als ambtenaren tegenkomen tot in de hoogste posities. (De Joden in het huidige Turkije zijn super geïntegreerd.) Hier was dus sprake van een voor die tijd redelijke tolerantie. Dit Millet systeem respecteerde de identiteit van godsdienstige bevolkingsgroepen. Wellicht omdat de Islam zelf een zeer op het recht gerichte godsdienst is bracht dat de aanvaarding van het  “christelijk rechtssysteem” met zich als zijnde geldig voor de christenen. De Patriarch van Constantinopel vertegenwoordigde het orthodoxe deel en had zodoende, naast zijn kerkelijk ambt, een politieke functie. Dit was niet geheel uniek. Er waren in die tijd katholieke streken in de Provence, Polen en Spanje, waar voor de joden ook een dergelijk systeem bestond. Kerkelijke en burgerlijke autoriteit viel daar samen. Maar dan in die zin dat de burgerlijke autoriteit van de sultan de patriarch scherp onder politieke controle hield. Dit is ook nu nog zo in Turkije, waar de islam onder politieke controle van de regering staat.

 

De Orthodoxie is opgedeeld in zelfstandige autocephale kerken. Die zijn natie (volk) gebonden. De kerkelijke leer is daarbij niet het verdelingscriterium. Van staatsvorming was weinig sprake althans in de Ottomaanse tijd werd die onmogelijk gemaakt. De ‘nationale’ kerk was in die tijd het enige organisatiepunt waarmee een volk zich kon vereenzelvigen. Ruimte voor zelfbestuur bestond dank zij het Millet-systeem. Het boegbeeld van een volk was de patriarch van de betreffende autocephale kerk. Hij was in zekere zin een van de Ottomaanse gouverneurs die aan het hof zijn volk/kerk vertegenwoordigde.

 

Een kleurrijk patroon van volken.

Over de verscheidenheid aan etnische groepen raak je niet snel uitgepraat.

De Roemenen zijn een volk uit Thracie/Dacie die tussen 100 en 270 na Chr. door Romeinse troepen zijn onderworpen en geromaniseerd. Hun taal schijnt veel op het Catalaans te lijken. Eenzelfde oorsprong hebben de Vlaken die zeer verspreid op de Balkan wonen. In Roemenië wonen omvangrijke minderheden: Hongaren/Sjekeli, Saksen, Zigeuners etc. Samen wel een kwart van de bevolking. Zigeuners zijn vrij talrijk in Macedonië, waar ze een tevreden indruk maken. Dat is niet zo in Kosovo waar ze als handlangers van de Serven worden gezien.

 

De Joden, die in 1492 uit Spanje verbannen werden, vluchtten voor een deel naar de Balkan (Bosnië) omdat het Osmaanse rijk een zekere tolerantie kennen. (een ander deel vluchtte naar de Nederlanden op grond van soortgelijke motieven). In de 16de eeuw woonden er in Thessaloniki meer joden dan christenen. De Joodse bevolking in Bosnië kende een op het Spaans geënte taal (zoals het Jiddisch in West en Oost-Europa). Er bestaat zelfs nog een hedendaagse poëzie in die taal. Later werden deze Sefardische Joden aangevuld met Ashkenazi uit Oost-Europa. Tijdens WOII is de Joodse bevolkingsgroep grotendeels uitgeroeid.

Verder treffen we een oude zeer verspreidde Armeense bevolking aan, Tsjerkessen, Turcomanen en veel zigeuners die vanaf de 15de eeuw uit India (het waren geen ‘gypsies uit Egypte’) immigreerden (veelal als slaaf uitgebuit).

 

In de tijd van de Habsburgers werden kolonisaties doorgevoerd waardoor we tot 1945 Duitstaligen (‘Saksen’) aantreffen in Transsylvanie, Tsjechen en Slowaken in de Vojvodina, Serven in de grensstreken tussen Kroatië en Bosnië gezien de militaire kwaliteiten van de Serven die zo bijdroegen aan de verdediging tegen de oprukkende Turken.

 

 

 

 

KAART 4a

 

 

                           

 

 

 

 

 

 

Vanwege die voorgeschiedenis voelen zij zich nog steeds verdedigers van Europa en van het christendom. Kritische Europeanen vinden zij daarom ondankbaar. ‘Wij hebben zo geleden, wij worden altijd miskend, iedereen is tegen ons’.

 

Vanwege de inkrimping van Hongarije bij het verdrag van Trianon zijn er gebieden buiten het huidige Hongarije waar beduidende minderheden van Hongaren wonen: Transsylvanie, de Banaat (in Kroatië) en de Vojvodina (deelstaat van Servië).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KAART 4b

 

 

 

 

 

 

 

 

Hongarije verloor 2/3 van zijn grondgebied.

 

Aangezien de Turken destijds de hele Balkan bezet hielden zijn er verspreide bevolkingsconcentraties van Turks sprekende Moslims, vooral in Bulgarije. Van deze Turks sprekende minderheden zijn wegens discriminatie door de Bulgaarse overheid (gedwongen naamsverandering) in de sovjet periode 200.000 naar Turkije geëmigreerd. Ook elders hebben zich Anatoliers gevestigd. Daarnaast zijn er veel bekeringen geweest. Bijvoorbeeld de Bulgaarstalige islamitische Pomaken. Moslems werden op de Balkan ‘Turken’ genoemd en dat komt ook nu nog voor (bijv. als scheldnaam voor Bosnische Moslems die zich zelf Bosniakken noemen).

 

Identiteitskramp, culturele eenheid als dubieuze basis van staten.

Op de Balkan wordt de geschiedenis vaak geschreven met de bedoeling de roem van een volk te verbreiden of het ‘historisch’ gelijk en de rechtvaardiging van huidig gedrag te bevestigen. Puur ideologisch in de klassieke zin van het woord. Sinds de uitvinding van het nationalisme zijn “geschiedenis”, taal, godsdienst en territorium op de Balkan belangrijke onderdelen van het gevoel een volk te zijn. Die onderdelen lopen niet altijd gelijk op. Het is ook niet ongevaarlijk om op puur culturele aspecten een staatsverband te bouwen. Alle staten die nadien werden gevormd hadden minderheden die ook buiten hun grenzen (soms als meerderheid) voorkwamen. Dat leverde het gevaar op van culturele en politieke onderdrukking of irredentisme.

Het gemeenschappelijk aanvaarde recht en het burgerschaps idee zijn van meer belang. Helaas hebben de beschrijvingen van de lotgevallen van volken soms een doorslaggevende politieke betekenis. Neem bijvoorbeeld de historie van de Servisch ‘natie’

 

Afhankelijk van ideologische effecten kan men vier Zuid-Slavische volken onderscheiden: Slovenen, die altijd door anderen overheerst zijn (vooral door de Habsburgers), Kroaten, Serven, en Bulgaren. De(Slavische) Macedoniërs en de Bosniakken hebben pas in de 20ste eeuw een eigen identiteit ontwikkeld. De Serven kunnen er zich op beroepen als eersten, samen met de Grieken, met succes tegen de Ottomanen te zijn opgestaan. Zij werden zelfstandige vazalstaten in 1830. De grenzen van deze staten waren alles behalve stabiel.

 

 

 

KAART 4 & 5

 

 

 

 

 

 

Het relaas van opstanden en het neerslaan daarvan is tamelijk gruwelijk. Het relatief tolerante Millet systeem liet, o.a. door verregaande corruptie, ruim voldoende stof voor ontevredenheid.

Na wat al over de Illyriers is gezegd, die als voorvaderen van de Albanezen gelden, is van belang vast te stellen dat pas in de 14de eeuw er sprake was van een Albanese expansie in Zuidelijke (Epirus, Noord Griekenland) en Noordelijke richting (Kosovo). In de 17de en 18de eeuw emigreerden veel Serven uit Kosovo naar de Vojvodina en Hongarije (toen zojuist onder Oostenrijk), waarna Albanezen de vrijkomende gebieden bevolkten. De Serven beroepen zich voor hun “historische claims” op Kosovo op die latere perioden van expansie en emigratie vanuit Noord Albanië. Aan deze lezing van historische feiten ontlenen zij de idee dat Albanezen indringers zijn die dus tot op vandaag verdreven mogen worden. Anderzijds zijn de vestigingen van Serven in de Vojvodina en de Krajina tamelijk recent en past daar een andere redenering… (waar Servisch bloed heeft gevloeid)

Bij de Serven leidt dit in onze tijd tot een wens om met alle Serven in een staat verenigd te zijn, ook als dit verregaand ten koste van anderen gaat. Bij de Albanezen is dat eigenlijk niet zo. Zij delen wel een taal, al zijn er twee aparte dialecten te onderscheiden, maar qua godsdienst zijn ze divers (70% moslim, 20% orthodox, 10% katholiek). Ze zijn buiten Albanië verspreid over Kosovo en Macedonië. De Albanezen die in Kosovo en Macedonië wonen verschillen sterk in welstands niveau en hebben alleen daar al om geen sterke begeerte om in een staat te leven. Men treft ze in kleinere aantallen in andere streken van ex-Joegoslavië, Griekenland en Italië. En dan heb je nog een belangrijke diaspora. Die laatsten zijn vaak het meest nationalistisch. Het is dus niet onontkoombaar om door nationale historische mythen geleid of zelfs gedetermineerd te worden.

 

Hoewel de talen van de Slavische volken sterk verwant zijn, is het Sloveens nog het meest afwijkend van de andere. Servisch en Kroatisch werden voor het uiteenvallen van Joegoslavië als een taal, het Serbo-Kroatisch, opgevat en onderwezen (in verband met de Joegoslavische identiteit). Vooral Kroatië heeft zich (na de oorlog uit nationalistische overwegingen) sterk gemaakt voor de eigen taal en oefende politieke druk uit om het Kroatisch als zelfstandige taal te doen onderwijzen (tot aan de Groningse Universiteit toe).

KAART 6

 

 

 

 

 

 

Macedonisch wordt door de Bulgaren als een Bulgaars dialect opgevat. Daarom erkent Bulgarije wel de staat Macedonië maar niet de Macedonische taal. Dat maakt het sluiten van verdragen moeilijk…..

 

Ontluiken van het nationalisme

Voor 1800 (misschien moet je zeggen voor de Franse Revolutie) was godsdienst het belangrijkste identificatiepunt. “Nationaliteit” was niet zo belangrijk. Assimileren of samen wonen was geen probleem; zelfs het aannemen van een andere taal niet (zoals dat nu met Nederlanders in Canada ook niet is). Voor de 19de eeuw was er op de Balkan alleen sprake van feodale staten, gebiedjes die door dynastieën bijeen gehouden werden. In de 19de eeuw werd dat anders. Men begon te praten over de wieg van de nationale, uiteraard superieure, beschaving die ergens had gestaan (Kosovo) en over de noodzaak van een eigen staat die ontplooiing van de nationale identiteit mogelijk moest maken. De Belgische Balkan kenner Raymond Detrez schrijft dat God als hoogste morele instantie vervangen wordt door natie; de vlag vervangt het Kruis; de patriottische strijder vervangt de martelaar voor het geloof. Geloof wordt slechts een attribuut van de nationale identiteit. Nationalisten begonnen volkstellingen te houden die veelal niet door de eenvoudige man in de straat begrepen werden. Was godsdienst doorslaggevend voor nationaliteit of taal? In Bosnië kwam nog in de jaren 1990 voor dat katholieke mensen er achter kwamen dat ze eigenlijk Serven waren. Die vaststelling was nooit nodig geweest. Kerken hebben soms een slechte invloed gehad op de kansen voor vreedzaam samenleven. Ottomaanse invloeden zijn daar niet vreemd aan.

 

De orthodoxe landskerken, te beginnen bij de Servische (ontluikend nationalisme), werden als zelfstandige entiteiten door Constantinopol erkend (soms door de Sultan ingesteld als de orthodoxen er zelf niet uitkwamen). Ze waren autonoom, een autocephale kerk. Aangezien de kerkelijke autoriteiten de rol vervulden van vertegenwoordiger van hun volk is de verhouding tussen kerk en staat anders dan bijvoorbeeld in West-Europa. Dat werkt tot vandaag toe door. De kerk is onkritischer op de politiek; ziet zich als de verdediger van het volk tegen kritiek. De orthodoxe kerken vallen op door hun nationalistische trekken. Kerk en volk vallen samen. “Een echte Griek spreekt Grieks en is Grieks-orthodox. Bij ons bestaan geen anders-gelovige of anderstalige minderheden” Het is zelfs verboden om je als minderheid (Macedonisch, ipv “bulgarophone Griek”, of bijv. als jehovagetuige) te manifesteren.

 

Kansen door verval Ottomaanse rijk.

Het Osmaanse rijk breide zich steeds verder uit wat bij het mislukte beleg van Wenen 1683 tot een eind kwam.

KAART 1

 

 

 

 

 

 

Daarna zette het verval in. Het Osmaanse rijk werd teruggerold tot de stichting van de Turkse republiek in 1920 door Mustafa Kemal Atatürk. Tot na 1815 laat de kaart nog een uitgebreid Osmaans rijk zien.

 

 

 

 

 

 

 

Toen ontstonden de revoluties in Griekenland en Servië. Romantisch (nationalistisch) gesteund door de grote mogendheden. (Griekse en Servische onafhankelijkheid in 1830) Tussen 1832 en 1912 waren er vier crises op de Balkan. Bulgarije werd zelfstandig in 1878, Albanië in 1912 . De diverse Balkan volken waren als pionnen in de hand van de Europese mogendheden. Rusland steunt Bulgarije, Italië probeert territoriale claims te verzilveren (Dodekanesos en Dalmatie en Istrie), Frankrijk, Engeland, Duitsland en natuurlijk Oostenrijk-Hongarij proberen allemaal in hun voordeel te scoren. Ze verschaffen wapens en geld aan hun vrienden en sturen militaire observers. De moord op kroonprins Ferdinand in Sarajevo 1914 werd uitgevoerd door een Servische student (Gravillo Princip), die streed voor aansluiting van Bosnië (toen Oostenrijks) bij Servië (gesteund door Frankrijk). (Vandaar dat zijn voetafdruk uit de straat is gebeiteld.)

 

Na het verdrag van Lausanne in 1923 vindt er een grootscheepse ‘bevolkingsuitruil’ plaats waardoor 1 ½ miljoen Grieks-orthodoxen (waaronder Turkssprekenden) uit Turkije, de streek rond Izmir, naar Griekenland werden verjaagd. Er bleven Turken in Thracie en Grieks Macedonië. Daarnaast zijn in Noord Griekenland Macedonisch sprekenden, maar het bestaan daarvan wordt officieel ontkend en publiek gebruik van die taal is in Griekenland verboden.

 

Groter en groter is te groot.

Voorzover Balkan volken ooit een staatkundig verband kenden hebben ze dikwijls ook reden voor wrok over wat er met die verbanden gebeurd is. Hongarije (geen Balkan maar een Donau land) heeft reële herinneringen aan een Groot-Hongarije. Bulgarije was ooit (een half jaar lang) groter vanwege de toedeling van stukken Macedonie en Thracie (met toegang tot de zee), er is een Groot-Servische gedachte van uiteenlopende omvang. De Albanezen worden door Servië verdacht van Groot-Albaanse ambities. Kosovo en delen van Macedonië hebben in WOII bij het door Mussolini gecontroleerde Albanië gehoord.

 

KAART 8

 

 

 

 

De Grieken schuiven Macedonië imperialistische ideeën in de schoenen. (eerste versie van de grondwet gaf daar aanleiding toe) Het zijn vaak de ballingen of geëmigreerden die dit soort rancuneuze ambities voedsel geven. (kalender met de vuurtoren van Thessaloniki) De Grieken verwijten Macedonië ‘diefstal van de Griekse geschiedenis’. Ze bedoelen hiermee dat Macedonië haar naam van de Grieken gestolen heeft. De eerste vlag van Macedonië was geënt op de Macedonische ster die aan Alexander de Grote wordt toegeschreven. Daarom eisen de Grieken dat de vlag wordt veranderd (is gebeurd) en de naam wordt vervangen (lukt niet om een compromis te vinden). Uit dit soort ‘diefstal’vloeiden strikte boycots voort en uitzinnige demonstraties. (meneer, het land dat u zojuist bezocht heeft bestaat niet.) Elke alternatieve naam roept bij een van de partijen wel weer negatieve associaties op, afgedacht nog van het vernederende van de Griekse eisen.

 

 

KAART 9

 

 

 

Samen zijn die ‘Groten’ wel dubbel zo groot als de Balkan zelf. Geen wonder dat voorzichtigheid met territoriale geschillen en grenzen geboden is. Bovendien moet worden erkend dat al die volken, niet alleen de wijd verspreidde, op grillige wijze door en over elkaar heen geschoven zijn. Dat werkt door tot in de moderne tijd. Vooral in stedelijke gebieden zijn geen etnisch homogene straten of flatgebouwen te vinden. In Bosnië was 20% van de huwelijken etnisch gemengd. In Sarajevo lag dat nog een stuk hoger.

 

Roemenië.

Kiezen we Roemenië als voorbeeld van de complexiteit van een staatkundig wordingsproces. Roemenië is een van de landen met een zeer diverse bevolking. Het is een combinatie van een drietal delen: Moldavië, Walachije en Transsylvanie. Het landsdeel Walachije heeft in de loop van de 13de en 14de eeuw tot groot Bulgarije behoord, was het een verdediger tegen de Mongolen voor Byzantium en heeft het het gezag van de Hongaarse vorsten ondergaan. Uiteindelijk was Walachije sterk genoeg om zich van Hongarije los te maken en een zelfstandige entiteit te vormen. Staatkundig volgde dit de feodale Hongaarse structuren. Kerkelijk voegde het zich onder de Orthodoxie van Constantinopel. De zelfstandigheid heeft kort geduurd vanwege het optrekken van de Ottomanen. De vorst van Walachije heeft nog meegedaan aan de slag in Kosovo (1389) aan de zijde van de Serven.Uiteindelijk is dit gebied tot 1878 in de invloedssfeer van het Ottomaanse rijk gebleven.

Moldavië heeft vooral een rol gespeeld in de verdediging tegen de Tartaarse Gouden Horde, de Mongoolse invallen vanuit het gebied van de Krim. Het heeft contacten met Hongarije gehad. Er was op kerkelijk vlak irritatie over pogingen de orthodoxie door het katholicisme te vervangen. Zoals die ook in Walachije op weerstand stuitte. Moldavië kwam net als Walachije in de sfeer van het Ottomaanse rijk terecht. Samen vormden Walachije en Moldavië pas sinds 1857 het Roemeense koninkrijk.(in 1599 even verenigd onder Michael de Dappere). Transsylvanie werd bevolkt door Hongaren, Szeklers (Hongaars sprekend) en Saksen. Dat waren de drie groepen die er toe deden. De meerderheid vormden echter de Roemeense boeren; zij waren Orthodox. Voorzover ze zich opwerkten en in hogere functies

kwamen magyariseerden zij. Zij werden in feite als ondergeschikten beschouwd en behandeld. Orthodoxen, joden, Armeniërs en hadden een gedoogstatus. De arrogantie van de Hongaren tegen de Roemeense bevolking heeft dus diepe historische wortels. (grappen van Otto v. H. over het corrupte en onbeschaafde Roemeense koningshuis.) De bovenlaag van de bevolking was niet orthodox, maar katholiek, calvinistische of luthers (Saksen). Deze laatste drie hadden een erkende en geprivilegieerde positie. De Szeklers voelden zich aangetrokken tot de Unitariërs. Dat werd de vierde erkende confessie. De beide delen van Roemenië, Walachije en Moldavië, zijn geen deel van het Ottomaanse rijk geworden maar waren wel schatplichtige vazal staten. Zij moesten belastingen afdragen en konden worden verplicht tot het leveren van troepen voor de sultan. Christelijke troepen hebben zodoende deelgenomen aan het beleg van Wenen (1683). In deze glorietijd van het Ottomaanse rijk sprak Maarten Luther de baldadige woorden “liever Turks dan Paaps”. Hij heeft het misschien wel gemeend.

 

Trianon, over U en zonder U.

De Roemenen hadden redenen voor hun aanspraken op Transsylvanie. Die sloten aan bij de gevoelens van de Roemeenstalige plattelanders.

KAART 4 & 5

 

 

 

 

In de WOI heeft Roemenië zijn slag kunnen slaan; niet door een volksuitspraak maar door achterkamertjes politiek waarbij de Westerse geallieerden staten met een hen welgevallig gedrag beloonden. Roemenië had net de goede kant gekozen aan het einde van de oorlog en kreeg Transsylvanie ten koste van de verliezer Hongarije. (Het verdrag van Trianon). Daar woonden toen al 1 1/2 miljoen Hongaren en Szeklers. Bovendien woonden daar Saksen en andere kleinere groepen. 1/3 van de bevolking van Roemenië behoorde na Trianon tot een taalkundige minderheid. In de ogen van de Roemenen blijven dat potentiële separatisten. De Hongaarse regering neigt ertoe zich te bemoeien met de rechtspositie van de Hongaarstalige. Enkele jaren geleden was er een conflict over rechten van Roemeense Hongaarstaligen in Hongarije (studiebeurzen, vrij reizen e.d.) Dit werd opgevat als irredentisme. Pas na moeizame onderhandelingen die het discriminatoire karakter van de Hongaarse wetsontwerpen betroffen is er tot een voor beide partijen aanvaardbare formule gekomen. De verschillen in etniciteit lopen voor een deel parallel met godsdienstige verschillen. Roemeenstaligen zijn Roemeens-orthodox (onder de patriarch van Constantinopel), of Grieks-katholiek (een kerk die het Vaticaan erkent). De confessionele Oost-West grens loopt dwars door Roemenië. Zelfs het Sovjet regiem koos daarin partij. De Sovjet Unie hoorde immers tot het orthodoxe kamp. De communistische staat onteigende de katholieke kerken en gaf ze aan de orthodoxen. Bezoek aan katholieke diensten werd niet op prijs gesteld. De geheime diensten controleerden of je op zondag wel naar de juiste kerk ging. Na de val van het communisme ontstonden grote problemen rond het teruggeven van de katholieke kerkgebouwen aan de Grieks-katholieke gemeenschap. Die was intussen een stuk kleiner geworden mede omdat de voormalige katholieken en hun kinderen orthodox geworden waren. De allergie voor minderheden is in Balkan en Donaustaten een stuk groter dan in West-Europa. In Roemenië is een samenwerking tussen Orthodoxen en Katholieken (Grieks of Rooms) heel moeilijk. De Protestanten worden helemaal als een zootje ongeregeld beschouwd door de Orthodoxie.

 

Lessen.

Als de geschiedenis een leerproces is dan hebben de Balkan volken veel vreemde dingen geleerd. De idee dat binnen een staatsgebied de ene bevolkingsgroep rechtsstelsel A en het andere rechtstelsel B mag volgen strijd met de gelijkheid voor de wet die centraal staat in onze visie op het recht. Ze moeten in het reine komen met de tegenstelling orthodox versus katholiek die in de huidige tijd nog een negatieve rol speelt. Ze moeten begrip krijgen voor de scheiding tussen kerkelijk en burgerlijk gezag. In het Millet-systeem vielen die gezagen samen. Afhankelijkheid van de kerk ten opzichte van de burgerlijke overheid en eventueel vice versa moet worden doorzien als strijdig met de rechtsstaat. Verregaande identificatie van de kerk met het volk moet als politiek nadelig worden beleefd en als strijdig met de kritische rol van het Evangelie. Vanuit onze visie is het bijvoorbeeld onnavolgbaar dat de orthodoxe kerk van Macedonië niet door de andere autocephale kerken wordt erkend omdat Servië de zelfstandigheid van de staat Macedonië betreurt.

 

De verwarring van kerkelijke en burgerlijk gezag ging gepaard met andere verwarringen van competenties. Het Millet stelsel had dat al met geloof en belasting inning. Steeds waar verwarring tussen levenssferen, dubbele petten, gebruikelijk is stuit je op corruptie, een van de grootste problemen van de Balkan.

 

Men zegt dat de Balkan in grote trekken nauwelijks deel heeft gehad aan Reformatie (op Transsylvanie na) en Renaissance. Dat moge zo zijn, maar steeds frappeert weer dat jonge intellectuelen naar Parijs en andere Europese centra van cultuur, politiek en technologie werden gestuurd om kennis te verwerven die voor hun land belangrijk was (militaire wetenschappen, bestuurskunde). Het nationalisme en de revolutionaire gedachte zijn ook ontleend aan Franse en Duitse filosofie. In Turkije zelf was men daarvan doordrongen. In Istanboel werden gymnasia naar Noord-Europese snit opgericht voor de opleiding van de kinderen van de elite. Maar je vraagt je weleens af of die overname van dien wel vanuit een werkelijk begrip plaatsvond. Die overname vond plaats in de context van de eigen politieke Sitz im Leben van deze volken. De begrippen etniciteit en volk hebben vanuit de contacten met de Duitse romantische filosofie hun zware lading gekregen. In combinatie met het zo genaamde recht op zelfbeschikking heeft dat naast goeds ook veel ellende op de Balkan teweeg gebracht. De onrealistische gedachte dat elk volk recht zou hebben op een eigen staat maakt zo’n etnisch divers gebied tot een politiek kruitvat. Het is goed om te bedenken dat de Balkanpolitici en filosofen daarvoor bij ons in Noord-Europa de ingrediënten hebben weggehaald. Jammer genoeg hebben de Balkan samenlevingen op een reeks relevante punten toch wel deel gehad aan het westerse denken al was het maar met de verworvenheden van de Europese Verlichting.

 

Bij de integratie van orthodoxe lidstaten in de EU zullen de politieke gevolgen daarvan nog uitvoerig aan de orde moeten komen. Hoe corrigeren we de misverstanden. Hoe kunnen we de gevoeligheden tussen orthodoxie en katholicisme opheffen. Het debat zal dus niet eenvoudig zijn en niet allen de politiek betreffen maar ook de kerken, de vakbeweging, andere sectoren van de georganiseerde samenleving. Het gaat om een goed begrip van rechtsstaat en democratie, oecumenische gezindheid, godsdienstige tolerantie (Islam). Veel van deze punten zijn aan de orde in het volgende hoofdstuk: de dramatische desintegratie van Joegoslavië.

 

Hervormingen en de worst van het EU-lidmaatschap.

Tot op zekere hoogte heeft de wens om lid van de EU te worden een stabiliserend effect op de verhoudingen binnen en tussen de Balkan en Donau-staten. Tenminste als de criteria voor toelating krachtig worden gehandhaafd:

 

invoering van een goed functionerende democratische rechtsstaat en

van een sociale markteconomie;

oplossing van grensconflicten en van de problemen met minderheden;

overname van het EU acquis;

in staat zijn de concurrentie op de EU binnenmarkt aan te gaan.

 

De potentiële botsingen tussen al die landen met wrokkige herinneringen aan een periode waarin ze groter waren, en met pijnlijke herinneringen aan gruwelen die zij elkaar in het verleden hebben aangedaan, en de vrees van een aantal staten voor irredentisme door buurstaten, moeten van tafel op weg naar het lidmaatschap van de Unie.

De oorspronkelijke drijfveer voor de Europese integratie, het uitbannen van oorlogen, heeft actualiteit op de Balkan. Daar is dat even zwaar als in West-Europa na WOII. Door de regeringen van de Balkan staten wordt het lidmaatschap van de Europese Unie doorgaans gezien als een belangrijke erkenning als volwaardige buur. Zij beseffen bovendien dat het EU-lidmaatschap een soort garantie merk is dat buitenlandse investeerders aantrekt. Uiteraard betekent de toetreding tot de interne markt voor hen een drastische percentuele toename van hun buitenlandse handel. (Voor de zittende leden is het ook voordelig; in absolute bedragen winnen zij er nog meer op dan de nieuwe toetreders.)

 

Handhaving van de toetredingscriteria betekent het afdwingen van een rigoureus politiek saneringsproces en een overgang naar een economische orde die sociale en ecologische voorwaarden respecteert. Deze landen moeten bovendien ophouden met alleen aan eigen belang en eer te denken; zij moeten zelf gaan bijdragen aan de verbetering van de internationale rechtsorde. Ze moeten bovendien een einde maken aan de suggestie dat elke etnische groep een eigen staat behoort te hebben. Van heel groot belang is de garantie van gelijkheid voor de wet van alle burgers. Het behoren tot een minderheid (term die doorgaans bedreigend overkomt) moet geen enkel nadelig effect met zich brengen. Dat moet tevens een eind maken aan de vrees voor separatisme en irredentisme, die in een echte rechtsstaat hun zin verliezen.

De zittende leden moeten beseffen dat oneerlijkheid en slapheid bij de toepassing van de genoemde principes gevaarlijk is voor het karakter en de overtuigingskracht van de Unie en voor de mogelijkheid van de Unie-burgers zich met de waarden van de EU te identificeren.

 

Hot spots op de Balkan.

 

KAART 10

 

 

 

 

 

 

* PRINCIPAL ZONES OF TENSION

 

 

 

 

 

 

1 – Occupation of the north of the Republic  of Cyprus by the Turkish Army

2 - Delimitation of the territorial waters and air space of the Aegean Sea

3-  Installation of military forces on the Greek islands of the Aegean.

4 - Status of the Greek minority in Istanbul

5 - Status of the Turkish minority in Western Thrace.

6 - Status of the Turkish minority in Bulgaria.

7 - Territorial dispute aver northern Epirus and the status of the Greek minority in Albania.

8 - Tensions following the proclamation of independence by the former Yugoslav Republic of Macedonia.

9 - Demands of the Kosovo Albanians.

10 - War in Bosnia-Herzegovina, and implementation of the peace
        agreement elaborated in the Dayton Accords.

11 - War in Croatia (the Kraj3na and Eastern Slavonia).
12 - Hungarian minority in Vojvodina.

13 - Hungarian minority in Romania.

 

 

 

 

Dank zij de krachtige begeerte om bij de Unie te komen kunnen een aantal heftige problemen of zaken die daartoe kunnen uitgroeien bezworen worden.

 

De twist tussen Roemenië en de Oekraïne over het nietige Slangeneiland. Dit is voor het Arbitrage hof in Den Haag gebracht en waarschijnlijk al opgelost.

 

De rancuneuze sfeer over de Hongaarssprekenden in Roemenië en hun verhouding tot Hongarije. Dat ging gepaard met onduidelijke overeenkomsten over sociale voorzieningen en rechten van studenten in Hongarije. Hongarije wilde aan Roemeense Hongaren speciale voorrechten geven als zij in Hongarije reisden of studeerden. De twee staten zijn tot een overeenkomst gekomen die niet strijdt met de eis van non-discriminatie van de EU, wat ook het steeds weer opdoemende gevaar van irredentisme ophief. Men moet leren dat in de EU grenzen geen barrières meer mogen zijn.

Bij de behandeling van deze hotspots en knelpunten gedraagt zich de EU niet altijd consequent.

 

Cyprus: geen handhaving van de eis de territoriale en minderheidsvraagstukken te regelen voor toetreding van Cyprus tot de EU;

 

Griekenland: onvoldoende onder kritiek vanwege de religieuze en etnische minderheden;

Grieks-Turkse territoriale geschillen gedempt door EU en NAVO-optreden;

 

Turkije: hervormt de staat zolang het druk van de EU ervaart, maar er is nog zeer veel te wensen over opgebied van vrije meningsuiting, godsdienst, rechtspraak, rol militairen, Koerdische en christelijke minderheden;

 

Bulgarije: positie van islamitische minderheden verbeterd na val van het communistisch stelsel. Geschillen met Roemenië bevroren;

 

Roemenië en Bulgarije zijn voortijdig toegelaten als lid, maar zijn duidelijk in een tweede rangs positie gebracht. Waarschuwingen genoeg…

 

Servië en Kroatië worden door Verhagen streng behandeld. Maar de slapheid van de EU-Raad is hier duidelijk gebleken. Voorgangers hadden een zwakker beleid.

 

In de behandeling van de Balkan staten zal het karakter van de Unie blijken. Wat daar gebeurt, is voor de hele Unie van belang.

 

 

Voor de EU geldt: zorg ervoor dat alle minderheden conform de principes van de rechtsstaat worden behandeld. Schep een maatschappelijk klimaat dat hun positie en de bijdragen aan de staat waar zij in leven worden versterkt en van gelijkwaardige betekenis wordt.

Geen etnische staten maar burgerstaten.

Respecteer de bestaande grenzen en maak ze gemakkelijk ‘neembaar’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HOVO college JOEGOSLAVIE

Arie Oostlander, 10-11-2008.

 

 

Temidden van de grote verschuivingen aan het einde van WOI kregen de Zuid-Slavische volken de kans om aan een gemeenschappelijke toekomst te werken. Hun antwoord ‘Joegoslavië’ heeft het in ongeveer ongewijzigde vorm uitgehouden vanaf 1918 tot de jaren ’90 van de 20ste eeuw (onderbroken door WOII). Het was een product van alle betrokkenen. Het berustte zeker niet alleen op Servische wensen. Eigenlijk wilden veel Serven een herstel van Groot-Servie, uit de Middeleeuwen (het rijk van tsaar Stefan Dusan, van de Donau tot de golf van Corinthe, 1346 Skopje. Daarna snel in rivaliserende prinsdommetjes uiteengevallen tot prooi van de Osmanen).

 

Zie KAART 8 voor de aspiraties in 1912.

 

 

Kroatische intellectuelen wilden het liefst een Zuid-Slavische federatie van Serven, Kroaten en Slovenen (vanwege de geografie Illyrisme genoemd) als derde macht binnen het grote geheel van Oostenrijk-Hongarije. Door de teloorgang van de Oostenrijks- Hongaarse dubbelmonarchie bleef alleen ruimte over voor een onafhankelijk koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen, 1 dec. 1918. Dit moest snel gebeuren omdat de Italianen klaar stonden om grote gebieden in Slovenië (Triest, Gorizia en Udine) en in Kroatië (Istrie, Dalmatische eilanden met Zadar) te annexeren, zoals met de Geallieerden in het Verdrag van Londen (1915) afgesproken (in 1917 door SU openbaar gemaakt).

 

 

KAART 11

 

 

Een week voor de onafhankelijkheid schafte Montenegro zijn eigen dynastie af en sloot zich bij het Zuid-Slavische koninkrijk aan.

Binnen twee jaar bleken grote verschillen in toekomst beeld tussen Kroaten en Serven. Servië was al sinds 1830 een quasi zelfstandige staat(je) en voelde zich de oudere broer die de nieuwe deelgenoten (centralistisch) bij zich op neemt. De Kroaten zagen dat niet zo en waren federalisten. Intussen was de koning Aleksandar I Karadjordjevic een Servier; 161 van de 165 generaals waren Serviërs. De staatsinstellingen werden aanvankelijk door Serviërs gedomineerd, de grondwet was centralistisch. De koning probeerde de eenheid te bevorderen door naamsverandering (Koninkrijk Joegoslavië, een nieuwe identiteit) en door een indeling van het land die de grenzen tussen Kroatië en Servië moesten verdoezelen.

Na WOI werden alle Balkan staten koninklijk dictaturen en Joegoslavië was, vanaf 1929, daarop geen uitzondering. De moord op de koning (1934) door Kroatische fascisten (onder invloed van Italiaanse en Duitse geestverwanten), past in dat beeld. De nieuwe regent, Pavle, probeerde de Kroaten mild te stemmen door federalisering en een poging tot het sluiten van een concordaat met de Paus. Dat laatste mislukte door tegenwerking van de Orthodoxe patriarch. Het verhaal kwam aan een eind door de Duitse inval 6 april 1941.

 

WOII bracht een verdeling van het koninkrijk.

 

 

KAART 12

 

 

 

Slovenië werd bij groot-Duitsland gevoegd. Italië kreeg aan de Adriatische kant het nodige; Bulgarije annexeerde Macedonië; Italië kreeg een vergroot Albanië onder zijn invloedsfeer en de controle over Montenegro; Kroatië werd (inclusief Bosnië, maar zonder Dalmatie) een Duits protectoraat (onder een Italiaanse koning, maar in werkelijkheid onder de fascist Ante Pavlevic); Hongarije kreeg de Banaat; Servië werd gewoon bezet. De sfeer tussen Serviërs en Kroaten was inmiddels volkomen bedorven. Pavelic richtte een Kroatische SS op onder de naam Ustasa. Die had ruwweg tot doel om de in hun gebied wonende Serviërs uit te roeien, te bekeren of te verdrijven. Daar slaagden ze een heel eind in. De Serviërs (koningsgezinden) verenigden zich onder de naam Tsjetniks en namen navenant wraak. Een derde groep vormden de partizanen onder Tito. Daar waren niet alleen Serviërs bij maar ook leden van de andere bevolkingsgroepen. Tito was zelf van Kroatisch/Sloveense afkomst. Deze groep was Communistisch geïnspireerd en met een federatie voor ogen die eventueel de hele Balkan zou kunnen omvatten.Van de 1.700.000 (of 1 miljoen volgens latere schattingen) Joegoslaven die het leven lieten was meer dan de helft slachtoffer van andere Joegoslaven.

 

Tito won het uiteindelijk van de andere twee. Zijn partizanen hadden een significant aandeel in de bevrijding, nog voordat de Russen het land hadden kunnen bezetten. De landing van Britse troepen in Griekenland droeg bij aan de bevrijding van Joegoslavië en dus aan het feit dat het land zich, in 1948, kon onttrekken aan het Sovjet blok (door de breuk met Stalin bleef Albanië buiten Joegoslavië). Tijdens de oorlog werd onder Tito’s leiding aan een nieuw maar nu van meet aan federaal Joegoslavië gewerkt. Er kwamen zes socialistische republieken.

 

KAART 13

 

 

 

 

 

 

Voor Servië was de stichting van een nieuw Joegoslavië een hartenwens, maar zij moesten daarvoor heel wat opgeven. Montenegro en Macedonië werden  afzonderlijke republieken, Bosnië waar veel Serviërs woonden werd definitief een afzonderlijke republiek. Servië kreeg, binnen de eigen grenzen, met autonome gebieden te maken: Vojvodina en Kosovo. Zo probeerde Tito een dominante positie van Servië te voorkomen en de federatie voor Kroatië en Slovenië aanvaardbaar te maken. Het lag voor Joegoslavische communisten voor de hand om het nationale aspect van de republieken enig gewicht toe te kennen aangezien zij zelf een blokvrij, nationaal communisme voor stonden.

 

Achteraf gezien was de sterkste bindende kracht in Joegoslavië de communistische partij; die had in feite de regeermacht in handen. De zes republieken waren staatkundig niet zo zwaar aaneen gesmeed. Het presidentschap rouleerde over de zes plus de twee autonome gebieden. De zes republieken hadden het recht uit de federatie te treden. Toen de communistische partij in de jaren 70 en na Tito’s dood meer op republikeinse basis georganiseerd werd bleef er weinig institutionele weerstand tegen opsplitsing over.

 

Opstapeling van verschillen.

Joegoslavië had steeds te maken met een aantal verschillen tussen de republieken die ongeveer hetzelfde geografische verloop hadden. Slovenië en Kroatië zijn katholiek en gebruiken het Latijnse schrift. Servië, Montenegro en Macedonië zijn orthodox en gebruiken het cyrillische alfabet. Bosnië heeft beiden in significante minderheden en bovendien is bijna de helft moslim. Slovenië en Kroatië zijn een stuk welvarender dan de andere.

 

 

KAART 14

 

 

 

 

Slovenië en Kroatië schaften eerder de communistische dominant of om min of meer democratisch te worden, Servië bleef de autoritaire macht in het Zuiden. De overdrachten van geld van Noord naar Zuid was veel omvangrijker dan binnen de EU. Dat riep veel wrevel op, in het bijzonder bij de succesvolle Slovenen. Zij wilden graag het Zwitserland van de streek worden. Het Sloveens is een taal op zich. Serven en Kroaten spreken varianten van een taal die destijds Serbo-Kroatisch werd genoemd. De dialecten van deze taal lopen niet gelijk met de grenzen tussen de republieken. Niet het “volk” waarbij men zich rekent bepaald welk dialect je spreekt maar het dorp of de streek waar je (gemengd) woont bepaalt dat.

 

KAART 6

 

 

Vooral voor Tudzman was het echter een erezaak om te bewijzen dat het Kroatisch iets heel anders was dan het Servisch.

Hier openbaart zich een merkwaardig verschil in visie op het politieke ambt. Moet je gebruik maken van verschillen om mensen uit elkaar te drijven en stemmen te werven of is het juist de kunst om door eerbare compromissen en een geef en neem spel conflicten uit te bannen. Op de Balkan kon je leren dat communisten niet in het maken van compromissen getraind waren. Zij hadden gewoon gelijk en tegenliggers moesten worden uitgeschakeld. Ik zag daarin een bewijs van onbenul. Het niveau van de Joegoslavische politici was niet hoog. Er waren wel betere, bijvoorbeeld de Servische staatsrecht geleerde die in Belgrado tegen me zei: “wij worden door gekken geregeerd”.

 

Problemen in Kosovo

Zoals op eerdere kaartjes te zien is, was Kosovo meestal een deel van Servië. Het wordt ook wel oud-Servie genoemd omdat volgens de nationalistische retoriek, daar “de wieg van het Servendom” heeft gestaan. Inderdaad zijn er veel oude servisch-orthodoxe kloosters en was de bevolking tegen het einde van de Osmaanse periode voor een hoger percentage Servisch. In die tijd weken veel (christelijke) Serven uit naar de Vojvodina dat onder Habsburgs bestuur stond. Sinds WOII bestond de Kosovaarse bevolking in grote meerderheid uit Albanezen en Serven. Ongeveer 10% behoorde tot allerlei kleine minderheden: zigeuners, Slavische Moslims (Bosniakken). De Servische bevolkingsgroep nam sterk af door emigratie en door het grote verschil in geboortecijfer ( in 1971 was nog 24% Servisch, in 1981 13%). Die trend heeft zich daarna alleen maar voortgezet. De emigratie van Serviërs had vooral economische redenen maar werd ook ingegeven door angst voor de positie van minderheid en door pesterijen door de Albanese bevolking. Bij de grondwet wijziging van 1974 was de positie van Albanese burgers gelijk getrokken. Door hun getalsmatig overwicht kregen zij feitelijk het heft in handen in Kosovo. Daarmee waren ze echter niet tevreden. Ze waren even talrijk als de Slovenen, maar hadden als ‘minderheid’ politiek minder te vertellen.

 

 

KAART 13

 

 

 

Intussen was het Albanese nationalisme aangewakkerd vanuit Albanië (de Serven vreesden – ten onrechte - dat de Kosovaren zich bij Albanië wilden aansluiten). Albanië was geheel op zichzelf teruggeworpen door aan de sovjet zijde te blijven toen Tito daarmee brak en door de latere breuk met de sovjets en de keuze voor Mao. Het land laat met al zijn bunkertjes zien hoe paranoïde de regering geworden was. Maar het Kosovaars nationalisme was ook een reactie op het Servische nationalisme. Het kwam in 1982 tot uitbarsting. De beide nationalismen versterkten elkaar zoals dat met nationalismen altijd gaat. Dictatoriale regiemes zijn niet goed in het vinden van of streven naar eervolle compromissen; dus volgde botte onderdrukking.

 

‘Milosevic contra de Albanezen’ en de uitstraling daarvan.

Milosevic, een apparatsjik van de communistische partij was inmiddels premier van Servië en zocht versterking van zijn positie door het bespelen van de nationalistische snaar. Bij de herdenking (op 28-06-1989, met 1 miljoen demonstranten) van de nederlaag tegen de Turken in 1389  bij de slag op het Merelveld, riep Milosevic dat hij er voor zou zorgen dat de Serviërs niet meer gekoeioneerd zouden worden. Dit was het startsein voor een meer systematische en officiële onderdrukking van Kosovo. Parlement en regering van Kosovo werden ontbonden en vervangen door Servisch toezicht. Albanezen werden uit overheidsfuncties geweerd en ook uit het onderwijs en de gezondheidszorg. De reactie van de Albanese bevolking was de oprichting van de Democratische Liga onder leiding van de zeer geziene schrijver Ibrahim Rugova. Er werd bovendien een hele schaduw infrastructuur opgebouwd van ziekenhuizen, scholen en een universiteit. Dit antwoord op Milosevic’ politiek versterkte ook het nationalisme bij de Albanezen die domineerden in de westelijke en noordwestelijke strook van Macedonië. Zij riepen om een eigen universiteit in Tetovo. Daar worden immers de mensen opgeleid die in staat zijn belangrijke posities in Macedonië in te nemen waardoor een feitelijke gelijkberechtiging zou ontstaan. Een deel van de Macedonische politici reageerden daar onverstandig op. Maar de wijze president Gligorov en zijn latere opvolger zijn heel verstandig daarmee omgegaan. (van der Stoel heeft een soort VN universiteit helpen oprichten.) Gligorov toonde aan dat je in de Joegoslavische context ook wijze en vrede stichtende politici mocht verwachten.

De onderdrukking van Kosovo door Servië riep in de Noordelijke republieken angst op.

De Servische vrees voor aansluiting van Kosovo bij Albanië is m.i. nooit terecht geweest. De Kosovaren, hoewel bepaald niet rijk, waren toch veel welvarender dan de burgers van Albanië. Zij wilden hun relatieve welvaart niet delen. Hetzelfde gold voor de Macedonische Albanezen. Die wilden alleen gelijke rechten in hun land.

 

De JNA

De Joegoslavische federatie zat merkwaardig in elkaar. Op federaal en republieks niveau waren er drie-kamer-parlementen. Het presidium rouleerde over de zes republieken en de twee autonome entiteiten. Er was een federaal leger, de JNA, en in elke republiek eigen republikeinse territoriale strijdkrachten. Het leger stond dus onder een roulerend presidentschap. Het had tot taak de verdediging van de eenheid en de integriteit van het land. Het leger werd in feite door de rijkere Noordelijke republieken gefinancierd. Toen de federatie uiteen begon te vallen stuitte dat op verzet van de JNA in verband met haar ideologische missie en materiele belangen. Hoewel het officierscorps overwegend Servisch was waren alle etnische groepen erin vertegenwoordigd. Ik herinner me een Sloveense admiraal die vice-minister van Defensie was. Waarschijnlijk was het gevoel Joegoslaaf te zijn het sterkst in de JNA. Bij het verschrompelen van de macht van het presidium verloor de JNA zijn opperbevel en reageerde als een staat in de staat. Toen steeds meer Kroaten en Slovenen de JNA verlieten werd de JNA vanzelf een Servisch leger. De JNA-eenheden in de Noordelijke republieken werden door lokale krachten (republikeinse gardes) geïsoleerd en verdreven. Dat ging niet eens met veel geweld gepaard. Pas toen de Slovenen de Joegoslavische grensposten overnamen ondernam de JNA acties: luchtaanvallen op die overgenomen grensposten. Van een zware vrijheidsstrijd was niet veel te zien (Spaanse ruiters in de straten van Ljublijana, kapotgeschoten vrachtauto’s en een gat in de muur van een boerderij). Wel moet het in de JNA in die tijd een chaos zijn geweest omdat bijvoorbeeld het luchtverdedigingssysteem desintegreerde en veel onmisbaar personeel verdween naar de andere republieken en hun territoriale strijdkrachten. Van de motivatie en discipline van Tito’s partizanen leger was toen niet zoveel meer over. Toch meenden de meeste Nederlandse en NAVO-generaals dat de JNA onoverwinnelijk zou zijn zoals in WOII. Men rekende er niet mee dat de wegen in Joegoslavië het land veel meer toegankelijk hadden gemaakt, en het oorlogsgebied nooit groter was dan Nederland plus Vlaanderen. Maar het belangrijkste was dat er in dat gebied wettige, internationaal erkende republieken ontstonden die voor een belangrijk deel een buitenlandse inmenging van harte zou ondersteunen. Die regeringen zouden daar zelfs een duidelijke legitimiteit geven. Aan het begin van WOII hadden de Duitsers en hun bondgenoten trouwens maar tien dagen nodig om heel Joegoslavië te bezetten. Inzet door landstrijdkrachten van buitenaf was echter niet aan de orde. Laat staan van een guerrillaoorlog zoals in WOII.

 

De desintegratie

Voor Servië was het uiteenvallen van Joegoslavië de grootste teleurstelling. Maar het had dat aan zichzelf, in casu aan Milosevic te wijten. Die deed zelfs een forse greep in de federale staatskas om eigen Servische doeleinden te realiseren. Toen Slovenië zich afscheidde (25 Juni 1991) werd dat door Servië niet als een groot probleem gezien. Daar woonden nauwelijks Serviërs en zo zou het Servische overwicht in het resterend deel alleen maar groter worden. Kroatië zag dat ook aankomen en wilde het risico niet lopen om een kleinere minderheid in rest-Joegoslavie te worden. De Kroatische afscheiding werd in feite door de Slovenen afgedwongen (de Slovenen staken uitdagend de draak met het gebrek aan Kroatische voorbereiding). De strijd voor de eenheid van Joegoslavië moest dus al snel worden opgegeven. Daarmee kwam ruimte voor het uitdragen van Groot-Servische idealen. Daarvan bestonden diverse versies.

KAART 15

 

 

 

Daarin was Kroatië belangrijker voor de Serven dan Slovenië, immers het Kroatische grensgebied tussen het Habsburgse en het Ottomaanse rijk was ooit bevolkt door krijgshaftige Serven.

 

 

KAART 4a

 

 

 

 

De Krajina (grens) werd door de Serviërs als historische eigen grond gezien. Op die bodem was bij uitstek Servisch bloed gevloeid. Geen wonder dat daar de eerste grotere gewelddadige conflicten ontstonden: de gevechten tussen lokale Servische milities en Kroatische politie bij de Plitvice Jizera, augustus 1990; de uitroeping van autonoom Servisch gebied met als centrum Knin.

 

 

 

KAART 16

 

 

 

De ontbinding van Joegoslavië was dus verre van een ordelijk proces. De onafhankelijkheidsverklaring van Slovenië (25 juni 1991) leverde daarbij nog de minste ellende op. Slovenië had zijn republikeinse garde tijdig op orde zodat de JNA voor een voldongen feit stond. Kroatië was niet goed voorbereid op onafhankelijkheid en had ook liever meer tijd gehad. Maar de Slovenen wilden niet wachten. De onafhankelijkheidsverklaring van Kroatië (juni 1991) vond plaats zonder dat er iets geregeld was voor de Servische minderheid. De erkenning van de Kroatische onafhankelijkheid door Duitsland verergerde dat gebrek. Genscher (volgens destijds Der Spiegel) voelde door de hereniging van Duitsland de macht door zijn lijf gieren. Dat gaf hem de durf alleen op te trekken en zijn Europese collega’s tot volgen te dwingen. De kaart met de spreiding van de bevolkingsgroepen (zie kaart 16) toont dat er grote gebieden in Kroatië waren die door Serven werden bevolkt.

Duitse mede parlementariërs zeiden me dat Kroaten en Serven niet in een staat konden leven en dat de Joegoslavische eenheid met zijn republieken op kunstmatigheid berustte. Vergeten werd dat eigenlijk alle staatsgrenzen ooit op basis van ‘kunstmatige’ menselijke beslissingen tot stand kwamen. Toen ze zagen dat grenzen op basis van etniciteit wel tot een heel raar gevormd en afgeslankt Kroatië zouden leiden kwamen ze op hun uitgangspunt terug. Dat juist de Duitsers zo’n nadruk legden op etniciteit voor staatsvorming hangt samen met hun romantische filosofie over het horen bij een volk. Duitser ben je als Duits bloed door je aderen stroomt. Daarom waren al die Russen met Duitse voorouders welkom in Duitsland, ondanks de grote integratieproblemen (jus de sang). In de meeste andere landen (met Frankrijk voorop) geldt dat je bij een staat hoort als je er geboren bent (jus de sol). De nadruk op zoiets als ras is in onze geschiedenis gevaarlijk gebleken. In Joegoslavië heeft het funeste gevolgen. Van meet aan bedreigde die stelling over etniciteit en staatsvorming niet alleen het voortbestaan van Joegoslavië maar na al die afscheidingen in nog heviger mate Bosnië-Herzegovina. Een desintegratieproces waarbij niet eerst overlegd wordt met de meest betrokkenen, als er niet naar een fatsoenlijke consensus met het oog op de toekomst wordt gestreefd, loopt dus uit op geweld, de botte macht beslist. Als daarbij paramilitaire milities worden opgericht zonder normale militaire discipline, gedragsregels en rules of engagement, dan breekt de hel los.

 

Karakter van de oorlog.

Zoals eerder beschreven waren er best wat conflict mogelijkheden die door politici die dat wilden konden worden gebruikt. Maar ooit waren Slovenen, Kroaten en Serven redelijk enthousiast bezig geweest om op basis van wat hen bond een staat te maken. Joegoslavië heeft ook een flink aantal jaren bestaan. Tito heeft het land knap en evenwichtig bestuurd met begrip voor de gevoeligheden. Conflict mogelijkheden kan men onderkennen en omzeilen of compenseren. Politici die willen dat hun geweld zegeviert en die daartoe de bevolking rijp maken voor oorlog zijn uiteraard niet bereid om in wijsheid met de problemen om te gaan. Heel veel kwaad deed het denken in termen van etniciteit. Serven voelden zich superieur omdat ze al in 1830 zelfstandigheid bezaten. Dat gaf hen het recht om de andere als jongere broertjes te zien die zich bij Servië moesten voegen. In het etnische denken was het een gevaar om minderheid te zijn. Er bestond een ingewikkelde terminologie over “constituerende natie” en andere etnieen die een status hadden omdat ze in nabuurstaten de meerderheid vormden (Albanezen bijvoorbeeld). En dan waren er nog minderheden die het aan een eigen thuisland ontbrak (Vlaken, Slowaken e.d.).

 

Nationalisme in verlengde van communisme.

Het etnische nationalisme kwam als opvolger van het totalitaire communistische systeem. Daar geldt in principe de vraag of je tot de juiste klasse behoort of niet. In dat laatste geval wordt er op geen enkele terrein van het leven met je verlangens of belangen gerekend door de totalitaire staat. In de politiek in de minderheid dan ook overal in de minderheid. Het etnische denkmodel werkt net zo. Je hoort tot de juiste etnische groep of tot de verkeerde. De etnische partij bedient alleen de eigen aanhang. Als je in een totalitair systeem zit ben je als onderliggende groep op elk levensterrein het haasje. De overgang naar het etnische model ging dus mentaal eenvoudig. Het was geen tegengestelde reactie op het communistische totalitaire denken maar juist een voortzetting van dat denken in een andere toonhoogte. Je behoort in een zelfstandige ex-Joegoslavische republiek tot de (regerende) etnische meerderheid (een vaststaat feit) of tot een minderheid. In dat laatste geval ben je op elk levensterrein de pineut, want de partijen zijn op etnische basis geschoeid en bedienen niet het algemeen belang maar alleen dat van de eigen etnie. Geen wonder dat mensen zoiets willen voorkomen. Politici die uit zijn op macht zullen de vrees om minderheid te zijn bespelen. De Bosnisch-Servische leider Karadzic kon dat omdat je die vrees plausibel kunt maken (‘de moslems groeien ons boven het hoofd, net als in Kosovo’). Het gaat dan niet om de ontwikkeling van rechtsregels zoals in de rechtsstaat, maar om het vermijden dat anderen een meerderheid gaan vormen. In plaats van in wetgeving moet je het dan in etnische verdrijving zoeken, opdat je in een meerderheidspositie komt. In een rechtsstaat is het niet bedreigend om als etnische groep in de minderheid te zijn. Dat gold voor alle Joegoslavische republieken.

 

Als Kroatië duidelijk op weg was naar een democratische rechtsstaat dan had de regering voldoende oog gehad voor de belangen en angsten van haar Servische burgers. Hetzelfde geldt voor Kosovo in relatie met Servië. In Macedonië ging het eveneens om de vrijheden van de burgers ongeacht hun etnische afkomst. De wijze president Gligorov heeft een sfeer van wederzijds respect weten te kweken. Nochtans bleef het probleem van de Albaans talige universiteit in Tetovo lang boven de markt hangen (tot vd Stoel de oplossing vond). Het was een belangrijk vrijheidsrecht vanwege het belang van goede opleidingen voor Albanezen die daardoor hoge functies in Staat en maatschappij zouden kunnen innemen. Minderheden hebben zelf vaak te weinig inzicht in de eisen en mogelijkheden van de rechtsstaat. De Albanezen liepen zelf met kaartjes over hun vestigings gebieden. Zij hadden zelf de etnische zuivering in hun hoofd.

 

In Joegoslavië ben ik de Nederlandse minderheden staat extra gaan waarderen. Niemand kan de ander overvleugelen. De staat is pluralistisch en concentreert zich op haar wezenlijke taken. Voor de rest moet de kleurrijke samenleving zorgen. Confessionele en andere groepen zijn vrij om eigen zaken te behartigen. De overheid blijft onpartijdig maar positief in haar steun.

 

Bosnië.

Het dramatische sluitstuk van het verval van Joegoslavië was Bosnië-Herzegovina. De wettige regering had een multi-etnische samenstelling en er waren politici die gewoon een niet-etnische burgerstaat voorstonden, zoals in West-Europa gebruikelijk is. Dit standpunt werd vooral door Bosniakken (moslems) uitgedragen, maar ook wel door Kroatische burgers, vooral uit Centraal Bosnië en door Serven, o.a. uit de regio Sarajevo.

Wie de etnische kaart van Bosnië-Herzegovina bestudeert ziet meteen dat opdeling via etnische lijnen onmogelijk is. De drie bevolkingsgroepen leven door elkaar heen. Soms zijn er duidelijke meerderheden maar heel vaak zijn zelfs die er niet. In steden zoals Sarajevo zou de grenzen door straten en flatgebouwen heen moeten lopen of zelfs door de gezinnen (20% was er gemengd gehuwd). Van de drie etnien woonden de Bosniakken het meest verspreid. Etnische verdelingsplannen zouden voor allen zeer schadelijk zijn maar vooral de Bosniakken bij honderd duizenden dwingen om zich te verplaatsen. Je zou dan een zwak islamitisch staatje overhouden met alle gevaar voor radicalisering van de ontrechtte bevolking.

 

 

KAART 17

 

 

 

 

Nadat Slovenië en Kroatië zich onafhankelijk hadden verklaard was de vraag hoe verder met de resterende vier. Zou het niet het beste zijn als de andere zich ook onafhankelijk verklaarden waarna men gelijkwaardig om de tafel zou kunnen gaan zitten om de toekomst te bespreken. Dit gebeurde ook. Dat wil zeggen Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Montenegro hielden referenda over de vraag of ze met elkaar en Servië door wilden gaan in een nieuwe constructie of niet. Montenegro koos voor Servië; Macedonië voor onafhankelijkheid. Bosnië-Herzegovina stemde (febr. 1992) in grote meerderheid voor onafhankelijkheid (3 maart 1992), maar de uitslag was niet bevredigend omdat een aanzienlijke meerderheid van de Serven (36% van de bevolking) het referendum boycotten.

 

De Spelers.

Twee dagen voor het referendum (1 maart 1992) sprak ik Radovan Karadzic. Hij toonde mij zijn plannen aan de hand van een grote kaart. Hij wees tweederde van BiH aan als Servische grond. Dwz gebied waar Serven woonden of waar Servisch bloed vergoten was. Hij vatte zijn taak op als een historische opdracht. De tegenwerping dat zoiets tot veel ellende en bloedvergieten zou leiden was voor hem irrelevant of droeg bij aan het dramatische karakter van de onderneming. Ik was verbaasd over de openhartigheid waarmee dit type politici over hun voorgenomen wandaden spraken. Tudzman deed dat ook, zelfs bij EP delegatiebezoeken. De zg. MP van het illegale Herzeg-Bosna (Prilic, nu veroordeeld en in Scheveningen) kon zelfs tegen het eind van de oorlog enthousiast praten over het zijns inziens positieve rendement van de etnische zuiveringen. Deze mensen hadden een mythe in hun hoofd of een soort perverse roeping. Er waren ook maffiose leiders bij zoals Mate Boban (Karadzic was volgens Wynaendts een gokker en veroordeeld wegens misbruik van publieke fondsen; in elk geval werd later ook zeer corrupt: sigaretten smokkel, inpikken van douanerechten. Als kind van een Montenegrijnse vader en een Albanese moeder, beschouwt Wynaendts hem als een gevaarlijke neofiet), of ijdele warhoofden (Krajsnik, was voorzitter van het BiH parlement; Koljevic, ‘voorlichtingsminister’). Mevrouw Plavsic MP van de republika Serbska, die biologie professor was en overtuigde racist.

 

Milosevic was meer een man van koele machtspolitieke berekening en niet van ideologische roeping. Hij liet later en zeker bij de onderhandelingen over het eind van de oorlog zijn “volksgenoot” Karadzic en de Serven in de Krajina, keihard vallen.

 

De keuze voor de staat of voor het volk.

De oorlog tegen Bosnië wordt meestal voorgesteld als een etnische oorlog. Die voorstelling geeft een handzame schematisering en suggereert bovendien dat de buitenwereld zich er maar beter buiten kan houden: “een hek eromheen en uit laten branden; er zijn daar geen good guys en bad guys”. (“Wij hebben hier geen eigen belangen, geen handel en geen olie”) Er zou sprake zijn van een diepgewortelde, historische haat die onontkoombaar was. Van die haat heb ik destijds weinig gemerkt. In de dorpen dronken de Serven en Bosniakken samen hun bier; ‘zo gek als in Kroatië zijn wij niet’ (daar was toen al oorlog). De latere MP van het illegale Herceg-Bosna (Prilic) praatte enthousiast over mijn vriend Mahmutcehajic (vice-premier bij het begin van de oorlog) en zijn gezin. De generaals belden elkaar over en weer op als oude bekenden. De haat was effect van manipulatie. Het etnische element in de oorlog betreft de bloed en bodem theorie van vooral Karadzic. Die theorie leent zich voor opzwepende toespraken. Volgens een analyse van de Anglicaanse kerk dachten de Britse politici dat die oorlog maar het beste door Servië gewonnen kon worden. Gezien de houding van Douglas Hurd is dit een geloofwaardige analyse. Na een vruchteloos en hypocriet verlopend gesprek met zijn vice-minister Hogg zei een bevriende Tory die mijn standpunt deelde: Hog means pig (zwijn, varken, gulzigaard, vuilak etc.). Het standpunt van de Britse regering was toen puur “geopolitiek” en amoreel. De rust die de Serven van Milosevic en Karadzic zouden brengen zou die van het kerkhof en de etnische dictatuur zijn.

 

Zeker in de eerste twee jaar was dit een oorlog van racistische/etnicistische partijen tegen een wettige, internationaal erkende regering die voorstander van de rechtsstaat was. De niet-etnische burgerstaat, waarin alle burgers gelijk zijn voor de wet en voor het beleid. Mijn vriend Ruzmir Mahmutcehajic die bij het begin vice-premier was, stond op dat standpunt. Dat dit werkelijk zo was blijkt uit het feit dat in de Servische concentratiekampen ook Serven opgesloten werden, namelijk zij die loyaal bleven aan de rechtsstaat ideeën van de wettige regering. (parallel met het geweld rond de Grote Meren in Afrika) De politici die voor de (rechts)staat kozen waren teleurgesteld toen Izetbegovic onder druk van de etnische partijen en om de Bosniakken te redden de keuze voor de burgerstaat verliet en uit arren moede voor zijn “volk” koos. Daarmee gaf hij in principiële zin toe aan Karadzic en Mate Boban (de Kroatische rebellenleider) die altijd al de etnische kaart speelden. Maar het verlangen naar de burgerstaat bleef, ook bij Haris Siladzjic (de latere premier van de wettige regering). De strijd werd voor het besef van de Bosnische bevolking steeds etnischer. Anti-etnische keuzen werden moeilijker begrepen en types zoals de loyale Serven kwamen in de knel. Dat is vooral aan het eind van de oorlog gebleken. Zij moesten in Sarajevo het veld ruimen voor gevluchte islamitische plattelanders. Het was niet voor niets dat Europese politici die afkerig zijn van staatsvorming op etnische basis en die voor de rechtsstaat kiezen partij bleven trekken voor de wettige regering van Bosnië. Zij die toch de etnicistische visie, die Karadzic de wereld wilde aanpraten, overnamen maakten een ernstige fout, die directe invloed zou hebben op het door hen gevoerde beleid (Dayton en voorgangers).

 

Er waren nog andere redenen om staatsvorming op etnische basis tegen te gaan. Zeker vanuit het Europese Parlement gezien was dat een politiek die rechtstreeks inging tegen het Europese Integratie model. Europa zou zulke etnische staten nooit als lid kunnen aanvaarden. De lidstaten hadden zelf ook hun eigen gedachten daarbij. Spanje associeerde dat met het ETA-terrorisme in Baskenland. Italië herinnerde zich de zeer geslaagde integratie van de Duitstaligen in Alto Adige of Zuid Tirol, waar mijn collega Alexander Langer vandaan kwam. Buiten de Unie bestond vrees voor het uiteenvallen van de toen nog bestaande Sovjet Unie. Op de Balkan zelf bestonden nog enkele “hot spots” die we liever niet tot ontbranding wilden laten komen (zie kaart). Als je in de regio rondreed ontdekte je ook dat de diverse bevolkingsgroepen elkaar nodig hebben. De drie etnische groepen hadden elk hun professionele voorkeuren. In Banja Luka was een groot fabriekscomplex plat gelegd omdat essentiële delen van het werknemers bestand gevlucht of verdreven waren. De Serven die het sterkst in de administratie waren, woonden er nog, maar de Kroaten die het sterkst in de technische leidinggevende hoek zaten waren weg evenals het arbeiders bestand dat overwegend uit Bosniakken bestond. In Brcko werd de terugkerende Islamitische grootondernemer door de Servische bevolking hartelijk binnen gehaald in de hoop dat hij de lokale economie weer op gang zou brengen. Etnische verdeling had kennelijk nefaste economische gevolgen.

 

Geen wonder dat de voorstanders van enigerlei samenhang binnen het oude Joegoslavië en die de gevolgen van etnische zuiveringen voorzagen al voor de uitbarstingen hun verantwoordelijkheid opnamen. Gligorov en Izetbegovic ontwierpen plannen voor een confederatie tussen de zes republieken. Deze leiders hadden immers, vanwege het etnisch zeer gemengde karakter van hun republieken veel belang bij de eenheid van Joegoslavië, eventueel zonder Slovenië. Deze plannen faalden. De doordouwers Kroatië en Servië hebben al in een vroeg stadium over etnische verdeling van BiH gepraat. De stichting van illegale republiekjes voor Serven of voor Kroaten sloot daarbij aan.

 

Het is merkwaardig dat Macedonië niet door Servië werd geclaimd. Vroeger werd die republiek als Zuid-Servie beschouwd en als deel van het middeleeuwse Servische rijk van Stefan Dusan. Het Macedonisch zagen ze als een Servisch dialect. In elk geval hebben de daar bijtijds door de VN gestationeerde Noorse en Amerikaanse detachementen de opening van een extra front door de JNA afgeschrikt.

 

De “internationale gemeenschap”; Nederlandse inbreng.

De zg Trojka van de EG bestaande uit de vorige Raadsvoorzitter, de huidige en de volgende, zag dat er een verantwoordelijkheid van de Unie bestond voor de gang van zaken in haar achtertuin, de Balkan. De naïeve Luxemburgse minister van Buitenlandse Zaken Poos riep zelfs uit dat nu het uur van Europa geslagen had en niet dat van de VS. Hij was tegen desintegratie omdat de afzonderlijke republieken te klein zouden zijn. Dit was geen overtuigend betoog omdat Luxemburg zelf kleiner was dan de kleinste Joegoslavische deelstaat. Hans van den Broek was ook lid van de Trojka en heeft bij het formuleren van de eerste overeenkomst (Brioni) tussen Servië en Kroatië een prominente rol gespeeld. Peter Kooijmans was daarna minister van BuiZa en nam actief aan de Raadsbijeenkomsten deel. Van den Broek werd Europees Commissaris voor BuiZa. Nederlanders hebben dus op Raads en op EP niveau een rol gespeeld. Daarnaast was de ervaren en moedige Nl. ambassadeur Wynaendts de metgezel van Lord Carrington die voor de EG speciaal was aangesteld. Zij hebben niet kunnen voorkomen dat de vertegenwoordigers van de EU en de VN van meet aan de etnicistische uitgangspunten voor staatsvorming van Karadzic feitelijk overnamen.

 

VN en EU bemiddeling.

Dat werd steeds sterker. Carrington werd (juli 1991) door de EU belast met onderhandelingen gericht op het beëindigen van de oorlog zoals die tussen Kroatië, Servië, hun mensen in Bosnië Herzegovina en de wettige regering aldaar werd gevoerd.De houding van de Twaalf (EG) was dubbelzinnig. Enerzijds beriep men zich graag op de woorden van Bismarck over de Balkan: ‘het is me de botten van een Pommerense grenadier niet waard’. Anderzijds sprak men uit dat de afloop van de oorlog de constructie van de EG zou aantasten. Men beperkte zich echter tot het sturen van observators naar het Kroatische conflict gebied terwijl BiH toen ook al aan de orde was (juli1991). Wel heeft de OSCE al vroeg de onschendbaarheid van de grenzen van de republieken erkend. De Veiligheidsraad heeft het diplomatiek optreden van de EU gesteund. Heel onlogisch was de afkondiging van een wapenembargo tegen Joegoslavië. Ook Carrington zag al in dat dit alleen maar voordelig voor de JNA was die over alle materieel en de meeste wapenindustrie beschikte. De eerste maatregel van vele die schijnbaar vredelievend maar feitelijk pro-Servisch was. De aanstelling van Cyrus Vance als gezant van de VN (sept. 1992) en van Lord David Owen maakte alles moeilijker. Deze twee covoorzitters van het ‘Steering Committee of the International Conference on the Former Yugoslavia’ (product van de zeer brede conferentie van Londen augustus 1992) waren steeds buitengewoon vriendelijk voor Milosevic. Zowel de stationering van observatoren als de demilitarisering van de door de VN in de Krajina beschermde gebieden gingen volgens het Servische belang (observers niet aan de Servische maar aan de Kroatische grens). Etnische zuiveringen in dat gebied gingen gewoon door. UNPROFOR startte als militaire arm van de VN. Na de erkenning van BiH, 6 april 1992, werd zijn taak uitgebreid naar BiH. De beperking van het mandaat tot militaire aanwezigheid maakte UNPROFOR weinig effectief. De eerste Generaal, de Indier Nambiar, gaf toe dat het vechten was met beide handen op de rug gebonden. Gevraagd naar een terugtrekking en troepen concentratieplan voor het geval zijn mensen als gijzelaar zouden worden gebruikt, gaf hij een ontwijkend antwoord. Zo diende de aanwezigheid de veiligheid van de agressor en niet van zijn slachtoffers. Na Masowietsky vergeefs te hebben aangezocht werd lord Owen de opvolger van Carrington. Masowietsky wierp het verzoek verontwaardigd weg omdat hij wel begreep hoe dubieus de rol van de VN was. Van Owen viel eigenlijk meer te verwachten. Hij was destijds voorstander van krachtiger militair (luchtmacht) optreden. Toen hij aantrad had hij echter zijn opvattingen in lijn gebracht met de visie van Vance en de VN. BiH was inmiddels slachtoffer van de veroveringslust van zijn buren. Op grote conferenties beslisten de deelnemers weliswaar over een rechtvaardig gedachte aanwijzing voor een staakt het vuren, maar dat bleven loze woorden en middelen tot afdwingen werden er niet bij geleverd. Vance en Owen wijdden zich aan verdelingsplannen voor BiH. Men wilde het Servische en Kroatische geweld sussen door toegevingen op een principieel punt, staatsvorming op etnische basis, ongeacht het leed van de etnische zuiveringen en de spanning met de waarden van de EG en het Handvest van de VN. Maar sussen en toegeven had niet het gewenste gevolg. Er zijn wel handels en olie embargo’s ingesteld, er waren zelfs bescheiden bombardementen om de beschieting van Serajevo en overtreding van het verbod om te vliegen te vergelden. Maar alles was halfslachtig en gaf de indruk dat de buitenwereld bang was voor de JNA. De dreiging met een harde militaire aanpak had in eerst instantie de voorspelbare gijzeling van VN-soldaten tot gevolg. David Owen verzette zich met hand en tand tegen de Amerikaanse voorstellen om de Bosnische regerings troepen te trainen en te bewapenen. Hij poogde ook de Kroaten van een inval in door Serven bezet gebied te weerhouden. Het Europees Parlement heeft uiteindelijk mijn resolutie aangenomen die pleitte voor vervanging van de speciale gezant (toen nog Owen) door een persoon met andere banden in Joegoslavië, ander beleid en ander soort mandaat. Die resolutie werd in het VK op de voorpagina’s met grote letters vermeld, want het was duidelijk dat het over de Brit Owen ging. Kooijmans, toen minister van Buitenlandse Zaken, belde me om te melden dat ook de Raad Owen zat was en dat onze resolutie haar goed uitkwam. De publiciteit die de Britse pers aan onze resolutie gaf was misschien nog effectiever dan de resolutie zelf. Ook de Britse publieke opinie ergerde zich al lang aan de onverschillige houding van de eigen politici. Er kwam toen een krachtiger Amerikaanse gezant, Holbrooke, en een EU-man Karl Bild die bereid waren met de vuist op tafel te slaan (juni 1995).

 

De Omslag.

Er moesten eerst nog afschuwelijker dingen gebeuren. De aanslagen op de markt in Sarajevo en de slachting van Srebrenica. Het Amerikaanse programma van ‘arm and train’ kwam goed op gang waardoor de Bosnische regering eindelijk middelen tot zelfverdediging kreeg. De Kroatische troepen konden zich al eerder versterken door illegale import van wapens uit Libanon. Zij weigerden echter om zwaar wapentuig voor de Bosnische regering door te laten.

Al eerder had ik de mogelijkheid van ontzetting van de Bihac pocket met Granic besproken. In 1995 kwam het daarvan. Owens overschatting van de Servische troepen werd overtuigend gelogenstraft. Zowel de BiH als de Kroatische troepen (uit Bosnië of Kroatië, dat werd toen niet belangrijk gevonden) boekten grote successen.

 

 

KAART 18

 

 

Samen hadden ze toen alle door Serven bezette gebieden kunnen veroveren. Maar de ICFY heeft hen afgeremd. De bisschop van Banja Luka bekende me dat hij met zijn staf op de trappen van het bisschoppelijk paleisje hadden zitten bidden: ‘Heer laat Kroatische troepen doorgaan’. Maar dat zou tot nog veel meer leed hebben geleid, nu aan Servische zijde. De vluchtweg naar Servië was trouwens makkelijk af te sluiten. En Milosevic had geen hart voor zijn ‘volksgenoten’. Het succes van de Kroatische en Bosnische troepen werd uiteraard zeer bevorderd door de luchtsteun van de NAVO en vooral van de Amerikanen. De strijd was toen in twee weken voorbij. Inmiddels hadden tweehonderdduizend mensen het leven gelaten en miljoenen ontheemd (in forse meerderheid Bosniakken).

 

 

 

 

 

 

 KAART 19

 

 

 

Het laatste akkoord  Dayton,

 

dat een eind aan de oorlog maakte, werd aanvankelijk als een mooi succes gezien waarvan de EU en de VS elkaar het vaderschap betwistten. Het was echter makkelijk aantoonbaar dat deze plannen, inclusief het laatste, qua idee een kind of kleinkind waren van het plan dat Karadzic me voor het Bosnische referendum had laten zien. Volgens Owen was zijn plan van 1993 beter. Het was eerder en betekende dat de Serven een flink stuk van hun veroveringen moesten teruggeven. De omvang van het aan de Serven toegewezen gebied was niet slechter dan het akkoord van Holbrooke. Bij Dayton was dat 49%. De ambities van Karadzic en zijn leger generaal Mladic gingen tot tweederde of 70% van Bosnië-Herzegovina. Mijns inziens was de principiële afwijking van het Vance-Owen plan belangrijker. Dayton is althans niet op etnische idealen gebaseerd maar schept uitdrukkelijk ruimte voor terugkeer van verdrevenen en voor verdere versterking van de toen en nu nog zwakke centrale regering van BiH. Over het vaderschap van het Dayton akkoord wordt wijselijk niet meer gerept.

 

Perspectieven voor Bosnië i H

Dayton vertoont de gevolgen van een principieel verkeerd beleid. De internationale gemeenschap gaf steeds toe aan de militair sterkste partij – de Servische. Bosnië had aanvankelijk geen leger en had haar vertrouwen uitgesproken in de JNA. Elke vorm van bewapening naast de JNA werd als een provocatie opgevat en dus vermeden. Het zou technisch-politiek ook moeilijk of onmogelijk zijn geweest. Als modaal Europees politicus heb ik dat destijds voor wijsheid gehouden en geprezen.

Wel juist was om te vragen om militaire steun aan de wettige non-etnische regering van BiH. En wel in de vorm van luchtsteun en vanuit zee. Verder konden we al aan het begin overgaan tot materiele en trainingssteun voor de Bosnische grondstrijdkrachten. Zij had ruim voldoende goed gemotiveerde menskracht om op de grond voor de eigen staat te vechten. Dat zou de Kroaten mogelijk hebben weerhouden van een anti-Bosnisch optreden. Waar de ICFY verstek liet gaan en een vacuüm schiep daar ontstond chaotisch geweld. De Europese mogendheden hebben het imago van besluiteloosheid en onverschilligheid bevestigd.

 

De Hoge Vertegenwoordigers die als een soort landvoogden BiH regeren hebben veel noodzakelijk werk verricht. Zij hebben ook besluiten moeten doordrijven waartoe de etnische groepsvertegenwoordigers niet konden komen. Dat heeft een protectoraten mentaliteit geschapen waarbij de lokale politici geneigd zijn niet naar werkbare compromissen te streven omdat de Hoge Vertegenwoordiger toch wel beslist.

De waarschuwing van Holbrooke en anderen moet niet terzijde worden gelegd. Elke gewelddadige uitbarsting schept immers zoveel leed en pijnlijke herinneringen dat deze de drempel naar nieuw geweld verlaagt. Preventie is stukken goedkoper dan het op zijn beloop laten. De strategie in BiH moet zijn: bevorderen, belonen of zelfs afdwingen van vreedzaam samenleven. Dat hebben we in Europa geleerd. Wie anders wil hoort in de EU niet thuis. We hebben aan Verhagen’s Servië beleid gezien dat een harde opstelling op dit punt loont.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SCHEMA VAN 1STE COLLEGE;  INLEIDEND OVER DE BALKAN.

 

 

1          De achtergrond van de colleges ligt in de betrokkenheid bij het onderwerp als rapporteur van
            het Europees Parlement (‘woordvoerder’) respectievelijk voor:

 

            De uitdagingen van de Islam voor de EU;

            Het beleid ten opzichte van (ex-)Joegoslavië;

            De strategie voor de uitbreiding van de EU;

            De kandidatuur van Turkije voor het lidmaatschap van de Unie.

 

            Het eerste college betreft de Balkan in het algemeen met als casus Roemenië.

            Het tweede gaat over voorgeschiedenis en actualiteit van de oorlogen in Joegoslavië.

 

2          Academische geschiedschrijving en politieke; afstand versus verantwoordelijkheid;

            Gebruik van geschiedenis voor eigen belang, eer en rechtvaardiging, of voor versterking van       de rechtsorde.

 

3          De Balkan in wisselwerking met de Europese grootmachten: Oostenrijk-Hongarije,
            Duitsland, Rusland, Engeland, Frankrijk etc.

            Osmaanse Rijk/Turkije als dominante factor; slecht bestuur en tolerantie; acceptatie van             religie en rechtsstelsel door de Islam.

 

4          Vreemdheid van de Balkan; Grieken en Illyriers;

            Theodocius’ verdeling; Oost-West Schisma; kruisvaarders plunderen Byzantium 1204.

 

5          Moslims nemen Constantinopel in (1453); ver daarvoor al de slag op het Merelveld (1389).      Osmaanse Rijk de grootmacht op de Balkan en voor de helft Europees.

            Lot van de christelijke en joodse bevolking; bekering van de Bosniakken. Toevluchtsoord         voor Joodse vluchtelingen. Islam als juridisch georiënteerde religie; Acceptatie van andere      monotheïstisch religies en hun rechtsstelsel; het Millet systeem.

 

6.         Geschiedenis en territoriale claims; Serven en Albanezen. Vier Zuid-Slavische volken.    Taalkundige verschillen (en overeenkomsten) als politiek wapen. Wat spreken de mensen    echt?

 

7.         Het chaotische kleurrijk etnische patroon.  

 

8.         Opkomend nationalisme na 1800; vorsten en feodale staten. De rol van de landskerken.            Verval van Ottomaanse Rijk (Wenen 1683) als kans; Servië en Griekenland eerst. Turkije en          de ‘uitwisseling’ van Griekse en Turkse bevolkingsgroepen.
9.         Roemenië als casus.

 

10.       Lessen voor Europa.

 

 

 

.